Jungle Fever

Spit#58 · Laos

Jungle Fever

V

olgelingen,

En POEF, de familie Marchand zit in het vliegtuig naar Schiphol en wij zowaar weer in een bus, op weg naar onze eigen bus. We hobbelen samen met wat andere backpackers dwars door het gele, verdorde, stoffige Cambodjaanse landschap. Tijdens een tussenstop worden we door een Nederlandse backpacker aangesproken, hij wil het vooral over zichzelf hebben. Met een trotse glimlach lanceert hij een monoloog van enkele minuten over zijn maandenlange reis door zuidoost Azië, braaf knikkend, zonder een woord van tegenspraak horen we zijn avonturen aan. Uiteindelijk stelt hij dan toch de wedervraag: en hoe lang zijn jullie al onderweg? Koeltjes vertellen we ons verhaal, zijn mond valt open van verbazing, sorry vriend, deze ronde ga je helaas niet winnen.

En zo stuiteren we weer verder richting de Thaise grens, richting Bangkok, richting ons huis, als-ie er nog staat. Maar dan moeten we eerst de grens over. Hoe moeilijk kan dat zijn zonder auto? Als een simpele backpacker het kan, dan moet het voor ons een fluitje van een cent zijn. FOUT! Bij de Cambodjaanse Immigration vragen ze ons om een kopie van ons e-visum. Uhm? Sorry maar ik ga Cambodja UIT, dus waarom moet ik dan mijn visum laten zien? Ach waarom stel ik deze vraag überhaupt. Het is niet alsof de douanier opeens zegt: weet u wat meneer Marchand, u hebt helemaal gelijk, wat een rare regel, laat ik u uitstempelen en een fijne dag wensen!

D

us sleuren we al zwetend onze bagage naar een copy shop waar de beste man doodleuk drie euro per printje vraagt. Tsja, geef de man eens ongelijk, ‘t is goed verdienen aan die sukkelige backpackers. Goed, weer terug de rij in, de Cambodjaanse UIT stempel in ons tweede paspoort, en door. Customs is een eitje, nobody cares, geen Olly die doorzocht hoeft te worden dus hoppa, een sprintje naar de Thaise kant van de grens en hopen dat de bus naar Bangkok op ons blijft wachten.

Want de Thaise Immigration, die is net iets spannender. We hopen nu namelijk een stempel te krijgen in ons éérste paspoort zodat we daar verder mee kunnen reizen en het tweede paspoort enkel nog hoeven te gebruiken voor China. Op die manier kunnen we met een gerust hart een visum voor Mongolië in ons eerste paspoort halen en dan zijn we van het hele eerste-tweede-paspoort-gezeik af. Het probleem is alleen dat bij de meeste grensovergangen de douaniers per se de IN stempel wil plaatsen naast de UIT stempel van het land dat je verlaat. Maar onze Cambodjaanse UIT stempel staat in ons tweede paspoort. Dus we hopen dat ze dat niet zien en ons eerste paspoort instempelen, zodat we daarmee verder kunnen reizen. We sluiten netjes achter in de rij aan, die acht slalommen moet maken voordat we eindelijk aan de beurt zijn. Bij elke slalom proberen we een blik in de douanehokjes te werpen om te zien wat voor vlees we in de kuip hebben. Hmmm… Drie hokjes zijn bezet door drie dames. Fuck, dames gaan vaak grondig te werk, ze zien er ook nog eens streng uit. Dit belooft niet veel goeds.

Dan ben ik aan de beurt, maar oepserdefloeps, er gaat een nieuw hokje open. De bewaker die alles in goede banen probeert te leiden dirigeert me naar een vierde hokje waar zowaar een man aan het werk is. Ik kan mijn geluk niet op! En jawel hoor, achteloos bladert hij door mijn paspoort op zoek naar een lege bladzijde, KLAK-KLAK, hatsiekidee, de grote wisseltruc is geslaagd, ik ben weer veilig terug in mijn eerste paspoort. Nu Mirte nog. Vanuit mijn ooghoek zie ik dat ze naar een van de strenge dames wordt gesommeerd. Shit. En inderdaad, de dame doet haar werk en vraagt naar de exit stamp van Cambodja. Uh… ja die zit in mijn andere paspoort. Dan wordt u in dat paspoort ingestempeld. KUT.

Maar we geven ons niet gewonnen. Het formulier wat we van te voren moesten invullen, met onder andere je paspoortnummer, klopt bij Mirte nu niet meer omdat ze van de strenge douanier nu haar tweede paspoortnummer moet invullen. En zo begint het kat-en-muisspel. Want in plaats van het formulier opnieuw in te vullen, krabbelt Mirte maar wat weg op een kladblaadje, zoekende naar een manier om het nogmaals te proberen maar dan bij de mannelijke collega van de strenge mevrouw. Wanneer er zich een opening lijkt voor te doen glipt ze snel naar het hokje van de mannelijk douanier, maar net op dat moment wordt zijn hokje geopend voor een andere rij. Er ontstaat verwarring, Mirte doet net of ze gek is, en de man in het hokje, galant als hij is, verlaat zijn hokje om Mirte terug naar het begin van haar eigen rij te helpen, richting de drie strenge mevrouwen. Fuck.

D

ubbel fuck want nu is Mirte d’r formulier nog steeds niet veranderd. Gelukkig komt ze in handen van een ándere strenge mevrouw, en niet dezelfde. Maar ook zij zoekt naar de niet-bestaande Cambodjaanse exit-stamp waardoor Mirte voor de tweede keer wordt teruggestuurd om het formulier opnieuw in te vullen. Deze slapstick begint nu fronsende wenkbrauwen te produceren, en we besluiten via oogcontactcommunicatie (want ik sta al veilig aan de andere kant) de strijd te staken en ons over geven aan het systeem. Mirte reist nu dus alsnog met haar tweede paspoort, ik met mijn eerste. En dan realiseren we ons opeens, fuck, wat als we aan de Chinese grens staan en ze zien dat ik mijn Laos exit stempel straks ook in een ander paspoort heb?! FUCK! Hadden we niet alsnog beter op ons tweede paspoort kunnen reizen? Nee, want deze is nog maar 5 maanden geldig en om een Mongools visum aan te kunnen vragen moet een paspoort minimaal 6 maanden geldig zijn! FUCK! We willen terug naar onze Cambodjaanse villa met de Marchandjes, terug naar ons paradijs, we zijn nog geen dag onderweg en het gezeik begint weer!

Maar goed, we kunnen er niks meer aan doen, linksom of rechtsom, het had ons sowieso problemen opgeleverd. Het enige verschil nu, is dat we allebei ánder gezeik hebben en we dus zien hoe beide scenario’s zich gaan openbaren. Het heeft geen zin om daar verder over na te denken, sterker nog, we hebben er geen eens tijd voor want we moeten rennen! Al dit gezever heeft een hoop tijd gekost, en het is te hopen dat de bus naar Bangkok op ons wacht. En zo rennen we met al onze bagage door de zweterige busterminal en krijgen toch een greintje respect voor de backpacker. Gelukkig staat het busje nog te wachten, we kunnen gelijk instappen en wegwezen!

En zo rijden we weer door het snikhete Thailand. Cambodja was heet, maar de verwarming hier is toch nog drie standjes hoger. Thailand is en blijft voor ons het land van de driebaans-snelwegen, pick-uptrucks en 7/11’s. Wederom bekruipt ons het gevoel dat Amerika hier is binnengevallen en dat de Thaise bevolking de Amerikaanse cultuur met open armen heeft ontvangen. Na een bloedhete rit worden we door het shuttlebusje midden in de concrete jungle die Bangkok heet op straat geflikkerd en mogen we het verder zelf uitzoeken. Joe! Tijd om onze grote witte vriend op te halen van de kinderopvang. Hoe zat dat ook alweer? Ohjah, drie weken terug, na uren tevergeefs te hebben gezocht naar een parkeerplek voor Olly werden we wanhopig. Lakei Lars moest ook nog eens halsoverkop terug naar Nederland vanwege de infectie in zijn schouderblad. Toen hij net goed en wel in de taxi naar het vliegveld zat, kwamen we een reddende engel tegen die ons op de parkeerplaats van het IBIS hotel liet parkeren. Hierna zijn wij in het pikkedonker snel weggesneakt om onze vlucht te halen, omdat we aanvoelden deze barmhartige samaritaan zijn aanbod waarschijnlijk niet helemaal had afgestemd met het IBIS management…

D

US, we zijn weer in Bangkok en pakken een taxi die ons netjes naar het IBIS hotel brengt. “Yes, nice, thank you, please stop at the corner of this intersection. No. No. Not the hotel lobby, just here is fine… No, please not in front of the hotel”… Fuck hij stopt RECHT voor de hotellobby van het IBIS hotel, waar we geen kamer hebben en waar we ongezien het parkeerterrein op wilden sluipen om stilletjes weg te rijden. Maar nee, change of plans, een IBIS medewerker opent met een vrolijk glimlach de taxideur en heet me van harte welkom. Hij staat erop onze bagage te dragen, maar ik wimpel hem vriendelijk af, we pakken vluchtig onze tassen en sjouwen zo linea recta de verkeerde kant op, weg van de hotellobby. We voelen dat de IBIS medewerker ons vol verbazing nastaart.

In volle draf, hobbelen met het zweet van de vorige hobbel-momenten nog op de rug, snel om het hotel heen, naar de achterkant, naar de parkeerplaats, naar onze witte reus. Onze hartjes gaan toch even ietsjes sneller slaan, zou hij er nog staan!? Jaaaa! Daar staat hij, onbeweeglijk fier en statig, in al zijn glorie, home sweet home! We sluiten ons Olly letterlijk in de armen, controleren uit gewoonte nog even op braakschade maar dat is niet het geval en dus is het tijd voor selfies. Ey-a-oh-let’s-a-g… hoooo, shit daar komt iemand van het hotel aangelopen. Oh, hij gaat voor de auto staan, shit hij laat ons er niet door. Blijven lachen.

Oeps, daar komt de volgende aangelopen. Fuck het is de gozer die ons uit de taxi hielp…! Awkward! Blijven lachen! Hij wil ons paspoort zien, ja láter vriend, dat gaat mooi niet gebeuren. Dan komt de manager erbij, we blijven vriendelijk maar worden ongeduldig en beginnen ‘m een beetje te knijpen. Het voelt alsof ze tijd aan het rekken zijn en we verwachten elk moment de politie voor Olly’s neusje. Kutselfies, we hadden gewoon moeten gaan! Dan worden er allerlei papieren in onze handen gedrukt, we moeten alle gegevens van de auto invullen en ergens tekenen. Ik ga niks tekenen. Ze legt ons uit dat we daarmee IBIS niet aansprakelijk kunnen stellen voor enige schade.

Huh? Maar we gaan toch weg? “It’s a standard procedure, please fill in the documents and you can go.” Ah, godzijdank, het is wederom een vrouw die haar werk verstaat en geen losse eindjes in de administratie tolereert. Goed dan, we vullen de papierwinkel in, maken nog wat small talk, gaan nog even op de foto, iedereen blij. TIJD OM TE GAAAAAAAAAN!

H

et voelt heerlijk om weer achter het stuur van ons Olleke te zitten en hem al brommend langs alle over-passes, bruggen, tunnels en tolwegen van Bangkok te dirigeren, op weg naar hetzelfde hotel waar we enkele weken geleden nog met Lars verbleven. Het personeel herkent de witte kolos meteen en verwelkomt ons met een nasale: SABADIKAAAAAAAAAAAAA. De reden van ons verblijf? Morgen gaan we naar de ambassade van Mongolië, kijken of het daar wel normaal kan.

Het begint goed. De ambassade zit verscholen in een dure villa wijk. Het hek opent zich automatisch en we stappen de tuin in van een doodnormale villa. De auto staat netjes voor de deur geparkeerd, een tuinman is achteloos bezig met het wegharken van wat blaadjes en wanneer we door de schuifpui gluren zien we hoe een vrouw de afwas doet. Het voelt alsof we zomaar bij een willekeurig iemand zijn huis zijn binnen gelopen. Een beetje ongemakkelijk lopen we het huis in, dan worden we vriendelijk onthaald door een mevrouw en mogen we plaatsnemen. We overhandigen haar onze papieren en ze gaat gelijk aan de slag. Mijn hemel wat een verschil met de Chinese ambassade, wat een rust, wat een vriendelijkheid.

Maar dan slaat de sfeer om. Uhm… Sorry… Hoéveel gaat dit visum ons kosten? 100 dollar per persoon? En dan is het pas ná het weekend klaar? Maar het is nu dinsdag! Zo lang kunnen we niet wachten. Wat kost de express service? “DOUBLE? So, 200 dollar? PER PERSON!?” Nondeju. Mogen we hier even over nadenken? We trekken ons terug in de tuin om de shock van 400 dollar te laten bezinken, want wachten tot maandag is geen optie, we moeten naar de Chinese grens! Tsja… We kunnen het ook in Vientiane (Laos) proberen, maar als het dán niet lukt, dan zijn we echt fucked, dan zitten we met een Chinees visum zonder dat we China uít kunnen. Maar 400 dollar, mensen kinderen lief, nee, fuck dat, laten we gaan.

E

n zo beginnen we aan onze tocht naar de grens met Laos. We slapen nog een nachtje op een Thais benzinestation en rijden daarna het laatste stuk tot aan de grens. En daarmee laten we Thailand voorgoed achter ons. Het heeft op ons niet de indruk achtergelaten zoals bij zovele anderen, in onze herinnering is het een groot uit beton gebouwd land dat zich spiegelt aan de Amerikaanse-full-blown kapitalistische cultuur en daarmee haar eigen identiteit is kwijt geraakt. Maar daarentegen hebben we door onze visum-klopjacht ook niet de kans gehad het “echte” Thailand te mogen ontdekken. Helaas, volgende keer beter.

En zo begint ronde twee in het legendarische kat-en-muisspel: wisselen van paspoort nummero 2 naar paspoort nummero 1. Aan de Thaise kant lukt het Mirte niet om zich uit te laten stempelen in haar eerste paspoort, “rules are rules!”. Zelfs de baas van de baas die we aan zijn shirtje hebben getrokken, is niet van plan daarop een uitzondering te maken. Misschien dat ze in Laos wat soepeler zijn? Nee natuurlijk niet! We proberen het uiteraard wel, proppen Mirte d’r eerste paspoort door het luik maar als in een allergische reactie spuugt de persoon achter het luikje het paspoort weer terug in ons gezicht. NO! Klinkt het luid. Zelfs smeken heeft geen zin. Laat ook maar.

Goed chagrijnig lopen we verder, op zoek naar Customs. Waar halen we de papieren voor ons Olly? Want ook hier werken ze met een TIP (Temporary Import Permit) voor voertuigen, maar dan moeten we die wel eerst zien te vinden. Uiteindelijk komen we in een kantoortje terecht waar ze net aan het lunchen zijn, dus verwijzen ze ons naar een ander loket, waar een vrouw de hele bende overhoop haalt om te concluderen dat het papiertje hier niet ligt, dus neemt ze ons mee naar een slagboom waar ook een loket zit, daar krijgen we het papiertje, ze neemt ons mee terug om daar het papiertje in te vullen, dan moeten we weer naar de slagboom waar we dat papiertje net hebben opgehaald, om daar een ander papiertje te krijgen, dat we ergens anders moeten laten stempelen, zodat we tegenover het kantoortje waar we het papiertje waar de stempel op moest, kunnen betalen, waardoor we nog een papiertje krijgen waarmee we terug gaan naar het kantoortje met de slagboom, van wie we nog een stempel krijgen waarmee we eindelijk weg mogen rijden. NOU, HE-HE, WAS DAT NOU ZO MOEILIJK? Kunnen we in Nederland nog wat van leren, goedemiddag!

M

aar we zijn er: Vientiane, Laos! En mijn god wat een verschil met Bangkok, waar Bangkok je naar de strot vliegt met alle herrie, drukte en het kleurloze beton, daar omarmt Vientiane je als een oude vriend. Geen traffic jams, geen getoeter, geen gedoe, oude gebouwen in Franse koloniale stijl, rustige cafétjes langs de machtige Mekong rivier waar we onze tijd doorbrengen met het bijwerken van de blogs. Die avond slapen we op een klein vuilnisbeltje net buiten de stad, waar we ons op maken voor ons bezoek aan de Mongoolse ambassade.

En ook deze keer moeten we twee keer kijken om tot de conclusie te komen dat we toch echt voor een ambassade staan in plaats van iemand z’n huis. Een man komt ons rustig tegemoet gesloft, het blijkt de ambassadeur te zijn. Hij neemt ons mee naar een klein kantoortje naast de villa en neemt onze paspoorten aan. Maar dan beginnen we toch een beetje te stressen, want Mirte heeft zojuist haar eerste paspoort gegeven, waar dus geen visa-stempel van Laos, het land waar we ons bevinden, in zit. Maar de man bladert niet eens door onze paspoorten, we kunnen over twee dagen terug komen met 50 dollar per visum. Koekoek.

En zo chillen we twee dagen in Vientiane, we slenteren wat over de markt, doen wat boodschapjes en gaan gezellig op date night. Pizza en een film. Aladin draait, wat wil een mens nog meer? Ohja een garage uiteraard! Wat nu weer, hoor ik u al zuchtend zeggen? Niks ernstigs mensen, het is een routinecontrole, omdat Olly aan de Chinese grens door een keuring moet komen alvorens hij een Chinees kentekenplaat krijgt. De betreffende garage wordt gerund door een Australische man die al diep in zijn zeventigere jaren zit en precies is zoals een Australiër behoort te zijn: amicaal, lomp en vol verhalen.

De uitlaat wordt nog maar eens goed vastgezet, een mistlamp wordt vervangen en we hebben het gevoel dat Olly de laatste tijd wat naar links trekt, misschien is er iets mis met de stuurkolom? Nope, niks mis mee, maar hey… kijk de linker voorband heeft een rare bobbel, die moet worden vervangen. En ohjeej, het reservewiel ziet er ook niet fris uit. Nog een extra band. Wa kost da? 120 euro per band! NONDEJU! Ohjah en dan zijn ze net een maatje kleiner want de maat die jullie hebben, die hebben we niet. Ja, daaaag. Dus bellen we met onze Chinese gids Brenda: HELP!

W

e wisten dat er sowieso gezeik zou komen in China, maar zo snel al, zelfs voor we überhaupt China zijn binnengereden, dat zagen we niet aankomen. Maar Brenda, onze Chinese touroperator, gaat voor ons aan de slag, en na een paar uur krijgen we het verlossende bericht dat ze twee banden heeft gevonden, in de juiste maat en dat ze aan de grens op ons liggen te wachten. Kosten? 40 dollar per stuk. BOOM! +1 voor Brenda! +1 voor China! En nu we toch wat tijd te doden hebben in afwachting van ons visum, gaan we nog even op zoek naar nieuwe zonnepanelen in Vientiane. Maar de offerte blijkt toch iets te gortig dus laat maar. Wanneer we bij de zonnepanelenboer weglopen, zien we opeens een Landrover Defender met daktent en al de hoek omscheuren.

Hey verdomd! Dat is die Zwitser en zijn Thaise vriendin die met ons door China gaan crossen! We appen hem en zien hoe hij gelijk een U-turn maakt, nog geen twee minuten later zitten we samen aan de lunch. Daeni en Lek zijn al drie jaar samen onderweg en hebben zo’n beetje heel Eurazië uitgespeeld. Daeni praat honderduit, terwijl Lek zich op de achtergrond houdt. We delen verhalen over de plekken die we hebben gezien, de mensen die we hebben ontmoet en de pech die we onderweg hebben gehad. En we zeggen gelijk: “we’ve had a lot of shit with our car, my friends.” Hah, lacht hij schamper, “we drive a Defender, the most shitiest car there is.” En dat hebben we inderdaad vaker gehoord, maar vooral van mensen met een Toyota Landcruiser…

Daeni en Lek scheuren de volgende dag verder terwijl wij met spanning op ons visum voor Mongolie wachten. Wanneer het eindelijk zover is, gaat het allemaal veel te soepel, we lopen naar binnen, worden vriendelijk onthaald door dezelfde vriendelijke ambassadeur, hij trekt een laatje open, geeft ons onze paspoorten terug, wij geven hem 100 dollar, hij geeft ons een hand, en voor we het weten staan we weer buiten de poort… Met een Mongools visum! HOPPA! Zo kan het dus ook.

Als een gek scheuren we naar de rivier bij Vang Vieng waar Daeni en Lek hun kampement hebben gebouwd. En zo dobberen we een paar uur later zonder zorgen in de Mekong, met uitzicht op prachtige bergen. Life is good! China, here we fucking come!

M

aar eerst nog even een paar dagen van Laos proeven. En we moeten zeggen: het smaakt naar meer! We balen dat we nog maar een kleine week de tijd hebben. Genoeg om rustig naar de grens te rijden, maar te weinig om een land echt te leren kennen. We voelen ons er gelijk thuis. De grote driebaanswegen maken plaats voor enkelbaanswegen die dwars door de jungle slingeren en het ene dorpje aan het andere rijgt. En zo maken we al rijdend kennis met de Laotianen en hun dagelijkse beslommeringen.

I

n Luang Prabang sluiten onze Duitse vrienden Alex en Laura zich bij ons aan, gemütlich! De enigen van onze China groep die nu nog ontbreken zijn Rita en Urs, eveneens een Zwitsers stel die rondrijden in een blauwe Pinzgauer, een oude 6x6 legertruck! Maar die zien we later wel, eerst Luang Prabang eens ontdekken, en wat blijkt? Eveneens een hele relaxte stad, midden in de jungle aan de Mekong. Ja het is er toeristisch maar de stad heeft haar identiteit weten te behouden, het is haast slaperig te noemen, maar zeker pittoresk. Shit ey. Hadden we dat maar geweten dan waren we misschien wel gelijk doorgereden en hadden we Thailand mooi links laten liggen.

E

n zo cruisen we op ons dooie gemakje, al wildkamperend naar de Chinese grens, geen vuiltje aan de lucht. Totdat de koelkast het begeeft. GOD-NON-DE-JU!!! Niet nu. Nee niet nu! Ah gelukkig, er zit een kabeltje los, ik verleng de kabel met een nieuwe kabel en sluit die direct aan op de accu om te checken of dat het probleem verhelpt. Nope. Nog steeds niks. Paniek! Heeft de koelkast het nu serieus begeven? Daeni schiet ons te hulp, we besluiten de gehele bekabeling opnieuw aan te leggen. En godzijdank schiet het lampje weer aan en begint hij vrolijk te brommen.

We halen opgelucht adem. Kijken elkaar even aan, lachen en zetten onze koers richting de grens voort. Ik weet dat we allebei hetzelfde denken, dit is de stilte voor de storm. Het kan niet anders dan dat er nog veel meer gaat gebeuren, het is niet anders geweest, en al helemaal niet als we met een groep moeten reizen. Het is niet de vraag of er iets gaat gebeuren, maar wat, en wanneer? En dat weten we allebei, het vult ons met een spanning, maar ook nieuwsgierigheid, wat het ook moge zijn, bring it on. We zijn ondertussen wel wat gewend! Een ding is zeker, over drie weken staan we hoe dan ook in Beijing, iets wat twee jaar geleden enkel een naam op onze flipover was, een idee, een droom, we rijden naar Beijing, geen idee hoe maar we gaan het proberen, kijken hoever we komen…

P

HOTO

ALBUM

LAOS

Genoten van dit verhaal?

Wij brengen ze nu naar buiten.

Maak kennis met Time Travel Tours →