Higher Places

Spit#62 · China

Higher Places

V

rienden,

Het is midden in de nacht, ik zit rechtop in bed en probeer te herinneren waar ik ben. Ohja, we staan op een grasveld naast de sky burial site. Langzaam komen er flarden van een nachtmerrie naar boven, een vage wervelwind aan botten, veren en messen. Hoe kan het ook anders? Over een paar uur kan er zomaar een sky burial plaats vinden, of niet want voor een burial heb je een dooie nodig. Ik voel een mengeling van lugubere fascinatie en huiveringwekkende akeligheid. Het is iets wat je eigenlijk niet zou willen zien, waardoor er juist een enorme aantrekkingskracht ontstaat; de ultieme paradox.

En dan hoor ik het geluid van dichtslaande autodeuren. Holy shit. Het is vijf uur in de ochtend. Mirte is ook meteen wakker en we manouvreren ons in een vloeiende acrobatische beweging uit de cocon die we ons bed noemen. Ik trek het rolgordijntje omhoog en zie hoe twee autokoplampen de mistige velden verlichten. Twee mannen dragen een langwerpig voorwerp omwikkeld met een blauw plastic zeil dat bij elkaar wordt gehouden door touwen. Achter hen stapt een schimmig figuur uit de schaduw en onthult zijn witte overal dat tot over zijn hoofd loopt. Ik voel een kleine steek adrenaline in m’n buik en ben ik een klap wakker. "Holy shit, het gaat beginnen!"

We kleden ons haastig aan, ik pak mijn camera, doe mijn schoenen aan en snel naar buiten om de Duitsers en Brenda uit hun bed te halen. Met z’n allen lopen we in lichte draf richting het veld maar zorgen ervoor dat we genoeg afstand houden. We willen deze plechtigheid niet verstoren met onze toeristische nieuwsgierigheid, maar willen diezelfde nieuwsgierigheid wel stillen; het eeuwige dilemma! In de lucht cirkelen minimaal 10 aasgieren door de lucht, maar zodra we hoger de heuvel oplopen zien we dat achter de eerste glooiing nog veel meer aasgieren netjes zitten te wachten, het zijn er minstens 50. Het zijn imposante beesten, sommigen hebben een spanwijdte van meer dan 2 meter, allen hebben een gigantisch scherpe snavel.

D

oor mijn zoomlens kan ik het geheel wat beter zien. Het plastic zeil wordt verwijderd en onthult hoe twee benen op de grond vallen. En dan begint de man in het witte overal met een bijl op het lichaam in te hakken. Met iedere slag komen de aasgieren een stukje los van de grond, in een poging wat dichterbij het lichaam te komen. De twee andere mannen zwaaien wild met hun armen om de ongeduldige beesten op afstand te houden. Dan sluit een monnik zich bij dit macabere gezelschap aan, hij begint mantra’s voor te dragen. De slager heeft de bijl omgeruild voor een mes en trekt diepe horizontale lijnen in het lichaam. Brenda vertelt ons dat ze deze sneeën vullen met mais en andere groenten zodat de aasgieren het lichaam beter kunnen verteren.

Na een half uur van hakken en snijden doet de slager een paar passen achteruit, de mannen laten hun armen zakken en geven zo het groene licht voor de aasgieren, die vervolgens over elkaar buitelen om zo snel mogelijk bij het lichaam te komen. Binnen enkele seconden is het lichaam omringd door aasgieren. Vol ongeloof en afschuw aanschouwen we dit onwerkelijke tafereel, waar kijken we in hemelsnaam naar?! Maar het wordt nog veel gekker, elke 5 à 10 minuten staan de mannen op en jagen de vogels weg om ruimte te maken voor de slager die vervolgens met zijn bijl aan de slag gaat om het lichaam in nog kleinere stukjes te hakken. Totdat er enkel nog botten over zijn. Dan begint het echte harde werk, de slager legt de botten op een grote steen om ze te verpulveren en te mixen met zijn zelfgemaakte maisprakje. De mais-mens-mix gooit hij naar de vogels die zich er vol overtuiging op storten. Binnen een uur is er bijna niks meer van het lichaam over.

W

e durven niet dichterbij te komen en na een half uur op een lege maag naar het tafereel te hebben gekeken, hebben we er even genoeg van gezien. We zijn helemaal in de war, waarom doen deze mensen dit? Dit is toch een boedhistisch, vredelievende cultuur vol compassie en respect voor het leven? Waarom moet het op zo’n afschuwelijke manier, en hoe blijven deze mensen daar zo rustig onder? Met deze vragen sluiten we ons weer op in ons huisje. Mirte gaat gelijk op onderzoek uit bij onze grote vriend Wikipedia, en dit is wat we nu weten:

Wat we zojuist hebben gezien wordt door de Tibetanen 'Jhator' genoemd, een traditie waarvan sporen zijn gevonden die dateren uit 8500 v.Chr., ja dat leest u goed, elfduizendvijfhonderd jaar oude sporen! Lang werd er gedacht dat dit werd gedaan om de ziel van de overledene te verenigenen met de hemel of het hiernamaals, maar Tibetanen geloven dat de ziel het lichaam verlaat zodra iemand komt te overlijden en er niks anders overblijft dan vlees en bloed. De filosofie achter het Jhator ritueel is veel praktischer van aard; Tibet ligt boven de boomgrens waardoor brandhout schaars is. Het is dus niet economisch verantwoord om lichamen te verbranden. Tegelijkertijd bestaat de grond op deze hoogte vaak uit permafrost en stenen waardoor het zich niet leent om lichamen in te begraven.

Onder de Tibetanen zelf wordt de Jhator gezien als een levensles in de vergankelijkheid van het leven en als een daad van generositeit - het lichaam van de overledene dient immers als voedsel voor levende wezens. Daden van generositeit en compassie staan hoog in het vaandel binnen het boeddhisme. Al het leven op aarde staat met elkaar in verhouding en moet met eerbied en respect worden behandeld. Een bekende scène uit de film Seven Years in Tibet laat zien hoe boeddhistische monniken voorzichtig aardwormen uit de grond halen en ze twintig meter verderop ceremonieel weer begraven zodat ze tijdens de bouw van hun filmzaal voor de Dalai Lama geen dierenleed veroorzaken.

Een monnik overziet de Jhator terwijl hij mantra’s zingt en wierrook aansteekt. De 'rogyapas' (vrij vertaald: lichaam-brekers) prepareren het lichaam en gaan heel methodologisch, haast laconiek, te werk. Het boeddhisme ziet de Jhator niet als een ceremonie waar heel zwaar aan moet worden getild, juist het tegenovergestelde. De geest van overledene heeft het lichaam al verlaten, daar hoeft niet om getreurd te worden, een ontspannen sfeer draagt alleen maar bij aan zijn of haar vertrek naar het volgende leven.

Aha, juist… tsja, ja, als je er zo naar kijkt. Wanneer we ons weer buiten ons huisje wagen, zien we de slager van vanochtend nieuwsgierig rondkijken binnen ons kampement. Vol trots geven we een rondleiding door ons Olly. De man die zojuist met een hakbijl een heel lichaam in mootjes heeft gehakt staat er ontspannen bij en blijkt een hele amicale en goedlachse man te zijn. Laura en Alex komen er ook bij staan. De slager neemt Laura snel van top tot teen op en zegt iets in het Chinees. We vragen aan Brenda wat hij zegt. "He says you have a large body but a small head!". We barsten in lachen uit, tja het is altijd lastig om werk en privé gescheiden te houden.

Hij heeft een berg aan vragen die hij ons wil stellen die Brenda voor hem vertaalt. Omgekeerd hebben wij nog veel meer vragen voor hem. De slager vertelt dat hij dit al vanaf zijn 15e doet en al ruim 35 jaar in het vak zit. Hij vraagt er geen geld voor maar collega’s van hem doen dat wel. Hoe begin je zoiets? Hij is erin gerold en ziet het als een eer. Hij vraagt ons hoe wij onze doden begraven. In de grond of cremeren, vertellen we. Nee niet op een brandstapel, gewoon in een crematorium, achter slot en grendel. Geen idee wat daar verder gebeurt eigenlijk. Dat vindt hij maar raar. Maar, is het niet moeilijk om een mens in stukjes te hakken? Neuh, hoezo, dit is hoe wij het doen. En dat vinden wij maar raar. We zijn in ieder geval uitgenodigd om de volgende Jhator van dichterbij mee te bekijken, over een kwartiertje begint-ie. Oké, uhm dankjewel..?

!

O

ndertussen lopen ook twee yakherders nieuwsgierig in onze auto’s te neuzen. Je ziet ze vragend kijken: wat is dit voor nomadisch volk? De mannen hebben allebei getekende gezichten wat getuigt van een hard en zwaar leven. Vandaag schijnt de zon maar driekwart van het jaar ligt hier een dik pak sneeuw met temperaturen ver onder het vriespunt. Ze dragen allebei een stuk leer of touw bij zich waarmee ze stenen richting hun yaks slingeren om ze in het gareel te houden. Gedurende deze consternatie zit Urs op zijn gemakje zijn brandstofpomp uit elkaar te schroeven in de hoop deze te repareren. En zo bevinden we ons tussen twee werelden in, die van het leven en de dood.

E

n dan komt de volgende stoet auto’s aangereden, de middagsessie gaat van start. Ik twijfel om te gaan kijken en wacht het nog even af. Wanneer mijn nieuwsgierigheid het wederom van mijn afschuw wint, besluit ik om toch te gaan. Op het moment dat ik aankom is enkel nog het skelet van de overlevende te zien met daaromheen een groep aansgieren die al vechtend om de laatste restjes vlees te keer gaan. Het is een surreëel beeld helemaal omdat er zo’n kalme sfeer hangt. Niet ingetogen maar ontspannen, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Daeni laat me foto’s zien van het moment waarop het lichaam werd geprepareerd, ik ben blij dat ik dat niet heb gezien. Een skelet is anoniem en homogeen, maar een dood lichaam heeft een gezicht, een identiteit wat het geheel nog schokkender maakt. Net als de volgende foto’s, u bent gewaarschuwd.

N

a een bewogen ochtend is het tijd om onze reis te vervolgen, en eens te gaan kijken bij het Tibetaans boeddhistisch klooster van Litang. Tegenwoordig is Tibet onlosmakelijk verbonden met het boeddhisme terwijl het daar pas in de zevende eeuw werd geïntroduceerd. Voor die tijd was Tibet een heidens gebied omringd door Indiase en Chinese boeddhisten. Het klooster is werkelijk prachtig en misschien wel een van de mooiste die we tot nu toe gezien hebben, sowieso de best bewaarde of gerestaureerde. Sommige delen worden zelfs geheel opnieuw geschilderd en de precisie en kunde die daarbij komt kijken is mind blowing. Er wonen hier zo’n tweeduizend monniken van jong tot oud. En dat zie je terug in het aantal maar vooral de soort schoenen die voor de ingang liggen. Er ligt een scala aan schoenen, van oude leren schoenen tot de hipste nikes en adidasjes. Ergens doet het me denken aan mijn studententijd, de jonge monniken lopen af en aan met grote potten stomende thee om de oudere monniken te voorzien van hun warme drankje. Als feutjes die hun patronen dienen.

Litang staat verder te boek als geboorteplaats van de zevende Daila Lama. Het huis waar hij is geboren is in de traditionele Chinese manier omgebouwd tot pretpark en daarmee compleet vernacheld. Het hele centrum is gesloopt om in ‘oude stijl’ weer opgebouwd te worden. Zucht. Vervolgens werd ik ook nog eens streng aangesproken door een stel boeddhistische monniken omdat ik tegen de klok in liep op zoek naar een toilet. Een toiletbezoek op deze hoogte is trouwens een enorme uitdaging. De lucht is hier zo ijl dat je bijna out gaat wanneer je probeert op te staan na minuten lang gehurkt boven een pot te hebben gehangen. Al het bloed stroomt weg en telkens wordt het zwart voor m’n ogen en moet ik een paar keer diep ademhalen voordat ik het meurende hokje kan verlaten. Goed. Is dat ook weer duidelijk. Conclusie: het huis van de zevende Dalai Lama is niet zo boeiend. De mensen die er echter rondlopen zijn daarentegen wel interessant, ook hier wonen de Naxi en deze vrolijke kleurrijke mensen blijven me fascineren.

Tijd om boodschappen te doen en een slaapplek te vinden. Die vinden we net iets buiten de stad langs een riviertje waar Urs zowaar vast komt te zitten met zijn 6x6 tank wanneer hij deze probeert over te steken. Helaas heeft niemand het vermogen om zijn tank uit het water te trekken. Uiteindelijk blijkt zijn brandstofpomp weer kuren te hebben, na een uurtje onderhoud bromt het oude beest zich weer een weg naar het droge. Het mysterie van de waterpomp continues.

M

aar we moeten weer door, door naar het volgende klooster. Ditmaal staat er een vrouwenklooster op het programma, midden in de bergen, op 4400 meter hoogte! Olly moet er weer aan geloven, puffend en tuffend kruipen we weer omhoog en is de groep weer vol ongeloof dat de Turtle het weer heeft gered. We kijken uit over uitgestrekte grasvelden die eerder op heuvels lijken dan op de gigantische bergen die het in werkelijkheid zijn. Vandaag is het de verjaardag van de Duitsers en Hopper, ze zijn precies een jaar geleden van huis vertrokken en dat vieren we met een super dikke groepsfoto!

H

et vrouwenklooster bestaat uit een groot complex met gebedsmolens waar oude kromgegroeide vrouwtjes en mannetjes langs de grote gouden molens schuifelen, die ze met hun laatste beetje energie in beweging proberen te krijgen. De vrouwelijke monniken dragen rode spitse driehoekige hoedjes en groeten je vriendelijk door de achterkant van hun hand te laten zien en 'tadjidile' te prevelen, wat ‘veel geluk’ betekent. Een gewoonte die we overnemen en zo lopen we al tadjidile’end door het dorpje naast het klooster waar enkel vrouwelijke boeddhisten leven. Het ziet er allemaal een beetje gammel uit en het is moeilijk te geloven dat mensen hier in de winter kunnen wonen. Maar het zijn taaie vrouwtjes, dat zie je aan alles. Wat overigens niet wil zeggen dat er enkel oude vrouwtjes leven.

Het miezert een beetje en zo slenteren we ons rondje door het dorp. Ja het is mooi, ja het is indrukwekkend, maar een mens kan maar zoveel indrukken aan. En na een lange rijdag zijn we allemaal op.

T

ijd om maar weer eens een slaapplek te vinden. Net buiten het vrouwenklooster loopt een zandweggetje steil een heuvel op. De heuvel ligt precies in het midden van een groter dal en zal een prachtig 360 graden uitzicht bieden dus laten we het maar eens proberen. De 4x4 en 6x6 komen zonder moeite boven en ook de Volkswagen T4 weet de top te bereiken. Ons Olly heeft er geen puf meer voor, maar we geven niet zomaar op. We proberen het van elke kant, en even lijkt het te lukken, na een lastige klim moeten we nog maar een dertig meter hoger, we nemen een aanloop, geven vol gas maar komen net te kort. Meerdere pogingen leveren hetzelfde resultaat. Urgh gefrustreerd draaien we om.

We parkeren de bus naast een tempel en vallen in een rusteloze slaap. De volgende ochtend staan we moe op om wederom een enorme afstand af te leggen. Maar, we gaan nu naar Chengdu, onze eerste grote Chinese stad. En die stad bevindt zich op een hoogte van 500 meter! We zitten nu op 4400 meter dus dat wordt alleen maar naar beneden, denken we.... In plaats van over de snelweg naar beneden te zoeven, begeleidt Brenda ons nog verder de bergen in, en gaan we over de meest crappy wegen alleen maar omHOOG! Olly puft steeds dikkere wolken zwarte rook uit, en tot onze verbazing klimmen we wederom tot 4700 meter. Brenda, wanneer komt die FUCKING snelweg naar beneden?!!? Frustratie mixt zich met onze vermoeidheid en hongerige buikjes tot een explosieve situatie. Ons geduld voor elkaar is flinterdun, en boom goes the dynamite. We weten al niet meer waarover het gaat maar er is een druppel die meerdere emmers tegelijkertijd doet overlopen, of eigenlijk is het een kraan die wordt opengezet boven een emmer die al tot de rand vol is. Voor we het weten staan naar elkaar te schreeuwen, en dan heb ik het gehad, stap uit, gooi de deur voor extra dramatisch effect hard dicht en PATS gaat het glas. En met die pats, patst onze woede om in tranen en vermoeidheid. Alle stress, vermoeidheid en prikkels van de afgelopen dagen komen er in een vloedgolf uit. En nu hebben we er nog een probleem bij. Raamloos en murw geslagen rijden we door en sluiten ons weer aan bij de groep, hopend dat het de komende 10 uur niet zal regenen.

W

ant Chengdu ligt niet bepaald om de hoek, het ligt zo’n 600 kilometer van Litang. Rond lunchtijd bevinden we ons eindelijk op goed geasfalteerde wegen, en omdat de afstand zo groot is besluiten we de dure snelweg te nemen, een ervaring op zich. Het wordt gelijk duidelijk dat de Chinezen geen enkele concessie maken, ook niet met moeder natuur. De Chinese engineers hebben een liniaal gepakt, het ene uiteinde op punt A gezet en het andere op punt B om vervolgens een rechte lijn te trekken. Ziezo, daar komt de nieuwe snelweg te liggen. De snelweg is kaarsrecht en gaat dwars door meerdere bergketens. We bevinden ons in de langste tunnels waar ik ooit in heb gereden. Om de sleur van de eindeloze tunnel te doorbreken zijn sommigen gedeeltes verlicht met LED lichtjes die in verschillende kleurpatronen knipperen. We krijgen enkel zonlicht te zien wanneer we over een brug de ene bergwand uitrijden om een rivier over te steken om vervolgens de volgende bergwand te penetreren, gevolgd door weer een kilometerslange tunnel. Maar de meeste stukken zijn niet verlicht, in het pikkedonker scheuren we de berg af. Een afzuigingsinstallatie zou ook mooi zijn, maar nee, in plaats daarvan rijden we door een dichte mist van uitlaatgassen, nog steeds in het pikkedonker! Pure concentratie, de focus op de middelste witte lijn, en niet in de achteruitkijkspiegel kijken want de malloot achter ons rijdt met groot licht. Leuk is anders.

E

n dan horen we een hele harde KNAL! En nog een! Oh shit, wat nu weer. We stoppen bij een tankstation en checken alle kanten van Olly. Maar er is niks te zien, ook niet onder Olly. Nou ja, het tape begint los te laten aan de aandrijfas, dus deze vervangen we met nieuwe tape en besluiten de beginpunten extra vast te zetten met tie-wraps. Maar waar kwamen die knallen nouvandaan? "Oh, that is my exaust pipe, there’s a hole in it, nothing to worry about", zegt Urs op zijn typische kalme toon. Pfieuw, wat een opluchting, anders had ik deze blog weer met een cliffhanger moeten eindigen...

P

HOTO

ALBUM

HIGHER PLACES

Genoten van dit verhaal?

Wij brengen ze nu naar buiten.

Maak kennis met Time Travel Tours →